’t Is weer van dat: snotteren, hoesten en rochelen!
Bah, zo vies…
Ik wil de lezer waarschuwen… Dit is een smerig verhaal…
De winter staat weer voor de deur, de bladeren van de bomen dwarrelen, in een windvrij Leeghems landschap, geruisloos neer en zelf stond ik voor de deur van mijn stamcafé.
Ik moest hard duwen. De kille vochtigheid verklaarde haar weerspannigheid. Daar werd t’ allen kante uitbundig gehoest, gerocheld en gefluimd. Onder andere door Eddy de facteur. Helemaal ingepakt met muts, sjaal en dikke vest zag ik hem nog net een geelgroene, “rekkerachtige” substantie in zijn zakdoek wegmoffelen. Hij keek me aan en zei met schorre stem: “Ja, ik weet ook niet van waar dat komt, het ene moment is het er niet, een paar tellen later wel”. “Tja”, antwoordde ik, “Ik heb ooit geleerd op school dat snot in je neus hoort. Daar doet het allerlei nuttige taken naar het schijnt”.
En zie, onze dorpsdokter was erbij komen zitten. Hij had zich even los kunnen maken van zijn kabinet, want dit zijn tijden waarin hij overuren klopt. “Dat is zo”, repliceerde hij op mijn amateurisme, “maar snot is voor virussen ook een heerlijke gelei, een exquise delicatesse, waarin ze zich wentelen en koesteren en waaraan ze zich gulzig te goed doen”. Hij nipte smakelijk van zijn (derde) witte en ging door: “Op zeker ogenblik achten ze hun moment gekomen om te verhuizen. Die virussen maken ons verkouden, we beginnen onhoudbaar te niezen. Die kleine spatjes snot vliegen dan recht een andere, verse neus binnen”. Valeer van de post illustreerde dat onmiddellijk met een oorverdovende niesbui (in zijn geplooide elleboog, een reflex die sinds covid was blijven hangen, die beweging welteverstaan niet het snot).
Ik zag het gebeuren en onwillekeurig dacht ik aan mijn grootvader. Hij was zo’n niesbui altijd te snel af door zijn neus te snuiten tussen duim en wijsvinger. Wielrenners doen het ook nog zo. Vies? bwa, dat is nog altijd beter dan je reukorgaan af te vegen aan het tafellaken…
De grote uitvinding: de zakdoek

“Gelukkig zijn er zakdoeken uitgevonden” kwijlde Eddy (ik zag hem één en ander van de ene mondhoek naar de andere verplaatsen). Hij haalde zijn zakdoek opnieuw te voorschijn, rochelde er weer eentje in en dan deed hij iets dat ons deed verkillen. Hij keek in dat ding naar de opbrengst! Dat doe je NIET. Daar zijn etiquette-regels voor!
En weer kwam een herinnering te boven. Als schooljongen had ik een degelijke, rood-wit geblokte zakdoek, die ik wekenlang vulde, laag na laag, tot hij van stijfheid brak. Onsmakelijk zult u zeggen, maar hygiënischer dan het moderne papieren zakdoekje. Zo’n meisjesachtig dingetje kan het virusvolkje niet stuiten. Ik las op het internet dat die niessnelheid gemeten is. Van 36 km per uur (een damesniesje) tot 82 km (een snipverkouden bouwvakker van 100 kg)… of 8 beaufort! Zeilen zijn daar nauwelijks tegen bestand laat staan zo’n pakje niemendalletjes.
Ik stak mijn vinger op en orakelde: “Volgens mij is de enige manier om het virus te slim af te zijn… het ophalen van die neus! Met één klap belanden die virussen zo in de maag. Tussen de spaghettislierten en de Stella’s dobberen ze in het zure sap tot ze zijn omgekomen in een massale verdrinkingsdood waarbij de Titanic verbleekt”.
Nog vóór iemand iets kon zeggen, deed ik “Ngrrrrr”, slikte door en weg was ik. Zo klinkt echte hygiëne.

